circulair    op weg naar samen soepen

De Soepsteen

Op een goede avond kwam een reiziger aan in een dorp. Hij was al lang onderweg en had honger maar alles was dicht. In het grootste huis van het dorp brandde licht. Het bleek het Dorpshuis te zijn, maar er was geen eten te krijgen. Hij schoof aan bij aan de dorpstafel, waar mensen druk bezig waren met hun mobieltje.

“Ik heb al een tijd niet gegeten en in het dorp is nu niks meer te krijgen. Ik zou graag soep willen maken”, zei de vreemdeling. “Hebben jullie een grote pan voor me?” De mensen keken hem verbaasd aan. “Waar wil je soep van koken? Je rugzak is bijna leeg. Daar kan niet veel in zitten!”

De man haalde een mooie steen uit zijn zak. Hij zei: “Dit is een heel bijzondere steen. Een soepsteen. Als jullie een pan met water op het vuur zetten, kan ik van deze steen soep koken.” De mensen geloofden niet meteen wat de man zei. Maar een grote pan was er wel en water was er genoeg. Proberen kon altijd.

Nieuwsgierig zagen ze hoe hij de steen in de pan met water legde, die op het vuur was gezet. En vol verwachting bleven ze naar de pan kijken, waarin het water langzaam warm werd en tenslotte begon te koken.


Toen zei de man: “Nu zou er eigenlijk een beetje zout bij moeten.” De vrouw die de koffie schonk in het dorpshuis, stond op en haalde wat zout uit de kast. “Ik heb ook nog een laurierblaadje”, zei ze, “zal ik dat er ook in doen?” “Goed”, zei de man, “Een stukje vlees zou de soep nog lekkerder maken.” Een buurvrouw zei: “Ik heb in de koelkast nog wat soepvlees. Als we hier samen soep gaan eten, kan ik het er wel bijdoen.” Ze haalde het vlees en nam ook een wat worteltjes uit de tuin mee. “Een ui en een prei zouden er ook goed in smaken”, zei de vreemdeling. “Die heb ik nog in mijn tuin”, zei de overbuurman. En een ander zei: “Ik heb nog wat bonen en selderij”. Iedereen haalde iets op. Even later hing er een heerlijke geur in de kamer. Na een poosje stond de man op, roerde in de soep en proefde. “De soep is klaar”, zei hij. Samen smulden ze van de overheerlijke soep die ze samen gemaakt hadden. Het smaakte goed en in lange tijd had men niet zoveel met elkaar gesproken. Ze aten met elkaar de hele pan leeg. Alleen de soepsteen lag er nog in.

Toen stond de reiziger op en wilde vertrekken. “Je soepsteen ligt nog in de pan”, riepen de kinderen, “je vergeet je soepsteen!” “Die mogen jullie houden”, zei de man, “daarmee kunnen jullie nog wel duizend keer soep koken, als je ‘t maar net zo doet als we het nu gedaan hebben.” “Dat is een wondersteen”, zeiden de kinderen tegen elkaar. De reiziger lachte toen hij dat hoorde terwijl hij de deur uitging.

Buiten het dorp gekomen, zocht hij een mooie ronde steen, stopte hem in zijn rugzak en liep fluitend weg.